Posts Tagged “MOAColumn”

Kunnen kinderen tegen reclame? Doorzien ze de doortrapte reclametrucs van nietsontziende fabrikanten en hun bureaus? Of zijn het willoze slachtoffertjes van elke uiting voor snoep, frisdrank, speelgoed en games die ze onder ogen krijgen?

Af en toe is er weer eens een oprisping in de Nederlandse of buitenlandse politiek waarbij gevraagd wordt om een algeheel verbod van reclame, gericht op kinderen. In sommige landen bestaat al zo’n verbod. Maar is dat eigenlijk wel nodig? Zijn kinderen tegenwoordig niet al heel jong oud en wijs genoeg om de verleidingen van de commercie te doorzien en te weerstaan? In het laatste nummer van het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap wordt verslag gedaan van een onderzoek waarbij de ‘reclamewijsheid’ van kinderen en volwassenen met elkaar is vergeleken. ‘Reclamewijsheid’ bestaat uit twee aspecten: 1. herkennen dat iets reclame is, en 2. begrijpen dat reclame bedoeld is om je ergens van te overtuigen en probeert om je iets te laten kopen.

De onderzoekers, Esther Roozendaal, Moniek Buijzen en Patti Valkenburg, wilden er achter komen op welke leeftijd kinderen een ‘volwassen’ niveau van reclameherkenning bereiken en hoe oud ze moeten zijn om net zoveel inzicht in de persuasieve en verkoopintentie van reclame te hebben als hun ouders. Uit hun onderzoek blijkt dat kinderen uit groep 7 (10-11 jaar) en 8 (11-12 jaar) reclame even goed herkennen als volwassenen (97% correcte antwoorden). Kinderen uit groep 5 (8-9 jaar) en 6 (9-10 jaar) herkennen reclame (significant) minder vaak. Overigens weten ook de kleintjes nog in meer dan 90% van de gevallen correct aan te geven of iets reclame is. Dat reclame probeert om je iets te verkopen begrijpen de meeste kinderen uit alle groepen van de basisschool al (77%-85%), maar ze scoren wel lager dan de ondervraagde volwassenen (99%). Een grote groep kinderen doorziet niet dat reclame probeert je ergens van te overtuigen. Vooral bij de kinderen uit groep 5, 6, en 7 schiet dat inzicht tekort. Kinderen uit groep 8 begrijpen dit doel van reclame iets beter, maar nog altijd significant minder dan volwassenen.

De auteurs concluderen: “Op basis van onze bevinding dat kinderen van 12 jaar en jonger nog steeds geen volwassen niveau van cognitieve reclamevaardigheden bereikt hebben, zou men kunnen zeggen dat reclame gericht op jonge kinderen fundamenteel oneerlijk is.”

Dat lijkt me een beetje kort door de bocht. Kinderen zijn uitstekend in staat om reclame te herkennen en weten bijna allemaal dat reclame bedoeld is om ze iets te verkopen. De schrijvers zelf wijzen er op dat het ontbreken van cognitieve vaardigheden nog niet wil zeggen dat kinderen ook gevoeliger zijn voor reclame-effecten. En ik mag hopen dat kinderen op de basisschool door hun ouders geholpen worden om hun zakgeld niet achter elk reclamefilmpje aan te gooien. Wat dat aan gaat zou de politiek zich meer zorgen moeten maken over die 3% van de volwassenen die kennelijk nog niet in staat zijn om reclame te herkennen.

John Faasse

Tags: ,

Comments Geen reacties »

Op woensdag 26 november vond het event Marketing3 plaats. En dat opende met een pittige discussie tussen Andrew Keen, auteur van het boek ‘The Cult of the Amateur’ en Sander Dullaart van Favela Fabric. Centraal stond de vraag of je je als bedrijf nu moet laten leiden door je klanten of dat de marketingexperts de productbeslissingen moeten nemen.

De tegenstelling kon niet groter zijn; niet alleen de standpunten van de twee heren lag mijlen ver uiteen, zelfs de kleding gaf de tweedeling aan: Dullaart in een wit overhemd, Keen geheel in het zwart.

Sander Dullaart vroeg zich af: Wie is nou de amateur? Als je productmanager van een basgitarenmerk bent, wie wil je dan betrekken bij de ontwikkeling van een nieuw model? Die 5 experts die er zijn zonder gebruikerservaring of die 50.000 enthousiaste basgitaarspelers, die je gratis tips en advies geven? Zijn de mensen die een product elke dag uitvoerig gebruiken echt de amateur? En zijn de mensen die het product nooit zelf gebruiken nou echt de experts te noemen? Zijn advies: Laat je leiden door je klanten.

“Enough! Enough is enough!” Met deze woorden valt Keen Dullaart in de rede en beweert iets heel anders: klanten weten helemaal niets! Is het werkelijk zo dat klanten alles weten? En dat de experts, die jarenlang gestudeerd hebben en heel goed weten hoe ze methodes moeten toevoegen, niets weten? Het is een fundamentele illusie en fout volgens Keen om te buigen voor je klant en je te laten leiden door je klant. De klant weet niets en moet geleid worden. Als marketingexpert moet je blijven adverteren, want dat is een fundament van marketing. Marketeers weten bovendien hoe iets waarde krijgt.

Marketeers moeten arrogant zijn en niet bescheiden, vervolgt Keen zijn betoog. Zij moeten de klant opvoeden, want de klant weet niets van branding en producten. Als je toegeeft als marketingprofessional aan de ideeën van Dullaart, gaat het vakgebied eraan, beweert Keen stellig. Co-creation is een illusie en een ‘kiss of death’ voor het marketingvakgebied.

Die ochtend zijn hun standpunten waarschijnlijk nog verder uit elkaar komen te liggen. In ieder geval zijn de twee mannen niet dichter bij elkaar gekomen. Natuurlijk had het niet zo’n interessante discussie opgeleverd, maar de ideale aanpak lijkt mij toch vrij eenvoudig: natuurlijk zijn er ervaren marketing-, branding- en productexperts nodig, maar die doen er goed aan om naar hun klanten te luisteren (maar ze niet klakkeloos te volgen).Quote sluiten

Klik HIER voor een uitgebreider verslag.

Tags:

Comments 2 Reacties »

In de Scandinavische landen zijn departementen aanzienlijk kleiner dan in Nederland en ze presteren net zo goed. Nederland doet het verkeerd dus. Volgens de kranten is de oplossing dat Den Haag meer decentraliseert; meer onderzoekers op gemeentelijk niveau dus.’ Mijn ervaring is dat dit neer zal komen op meer uitbesteden. Wie de artikelen goed leest weet dat afgelopen jaren zowel het aantal ambtenaren is gegroeid met zo’n 15.000 en dat er 600.000 euro meer was uitbesteed terwijl het voornemen was op beide te bezuinigen.

Men spreekt in de politiek wel vaker van decentraliseren. Maar voor hiervoor zijn twee stappen nodig: ten eerste het uitbesteden van werkzaamheden en ten tweede de werkzaamheden laten uitvoeren. In de praktijk betekent dit meestal dat stap 1 wordt uitgevoerd maar dat van stap 2 weinig terecht komt. Men geeft opdracht aan afdelingshoofden om hun medewerkers voor te bereiden op hun vertrek en verstrekt hen kleinere budgetten. Dit wordt meestal gevolgd door nota’s en plannenschrijverij. Na een paar jaar moet echter worden geconstateerd dat er wordt minder geld uitgegeven aan personeel, maar geen oplossing is gevonden voor het werk dat moet worden gedaan.

Onderzoeksbureau’s zullen bovenstaande ontwikkelingen met gemengde gevoelens volgen. Zullen de departementen hun onderzoekers ontslaan en onderzoek uitbesteden of zal er minder aan onderzoek worden gedaan? Wat verdwijnt aan onderzoek uit Den Haag en welke opdrachten komen er op gemeentelijk niveau voor terug?

Wie de praktijk kent, weet dat niet alle taken van een interne onderzoeker kunnen worden overgenomen door een extern bureau. Interne onderzoekers zijn immers onmisbare contactpersonen voor de onderzoeksbureaus. Zij zijn het die die de onderzoeksvragen helpen formuleren en vormen de schakel tussen de wereld van de politieke belangen en de wereld van het onderzoek. Zij zijn opdrachtgever maar vaak ook uitvoerend medewerker van de opdrachtgever. Als een onderzoek op de rit staat, zijn er vele uren werk aan besteed. Al dit werk moet worden gedaan door de organisatie zelf. ( Al zullen de zeer grote bureau’s graag aanbieden om ook deze taken te verzorgen).

Het wegbezuinigen van interne onderzoekers brengt ook de kwaliteit van het onderzoek in gevaar. Als de onderzoeksvraag verband houdt met de politiek kan het alleen gedaan worden als er mensen zijn die de politieke betekenis meenemen in het traject. Men staat voor de opgave om politiek correct, wetenschappelijk verantwoord én betaalbaar onderzoek te laten plaatsvinden. Doe dat maar eens zonder de onderzoeker van het departement of de gemeente.

Ik denk dat de positie van onderzoekers bij veel overheden, met name bij decentrale overheden, erg zwak is. Een van de oorzaken hiervan is dat niet voldoende duidelijk is wat onderzoekers precies doen. Ook lijkt er erg weinig belangstelling vanuit de politiek voor het werk van de onderzoekers te zijn. Men kijkt naar de output en naar de kosten, maar vraagt zich niet af welk werk moet worden verzet om een rapportage tot stand te brengen. Onderzoekers op hun beurt maken hun interne klanten onvoldoende duidelijk wat hun werk inhoudt. Veel onderzoekers zouden ook niet weten hoe ze zich binnen de overheid beter zouden moeten verkopen. Politiek en onderzoek zijn gescheiden werelden die elkaar soms nodig hebben maar die niet veel samenwerken. Van een goede relatie is meestal geen sprake.

Ik heb twee suggesties voor de onderzoekers in overheidsdienst:

  • Neem als onderzoeker zelf de handschoen op. Stap naar je klanten en nodig ze uit voor een informeel gesprek. Weten je opdrachtgevers wat je doet? Weten ze welk werk je ze uit handen neemt en welke kennis daarvoor nodig is? Weten ze wat volledig uitbesteden betekent? Weten ze bijvoorbeeld dat de kosten dan verhoogd worden met 3 keer jouw salaris en weten ze wie de persoon is achter de rapportages die worden opgeleverd? Zorg dat je wat meer begrip krijgt voor elkaar op het gebied van onderzoek.
  • Vergeet niet om je ervaringen te delen met collega-onderzoekers en te informeren hoe anderen werken aan de relatie tussen politiek en onderzoek.

Het is natuurlijk nooit anders geweest, maar juist in déze tijd moet je als onderzoeker denken aan je eigen marketing. Het is in het belang van jezelf, van de organisatie waar je voor werkt en van de onderzoekfaciliterende bedrijven.

Alex Feijt

Tags:

Comments Geen reacties »

De afgelopen zomer heb ik met volle teugen kunnen genieten van alle topsport die op televisie voorbij trok. Eerst het EK Voetbal, vervolgens tennis op Wimbledon en Roland Garros (of is het nu andersom), daarna het wielrennen in de Tour de France (vergeven van de doping maar het blijft een mooi gezicht om die mannen bergop te zien rijden) en ten slotte de Olympische spelen. Vooral als er wereldrecords worden gebroken, hebben ze mij geboeid te pakken.

Een hoogtepunt bij al deze sport afleveringen is het commentaar van de sport verslaggever en dan vooral de opsomming van de ontberingen en het ‘afzien’ die de sporters hebben moeten leveren, om hun topprestatie te leveren. Slecht nieuws verkoopt nu eenmaal goed en dus worden we als toeschouwer overspoeld met informatie over eenzame afzondering van sporters in een tentje die een hoogte stage nabootst (dat schijnt goed voor de aanmaak van rode bloedlichaampjes te zijn), de medische gegevens van sporters die ‘van glas’ zouden zijn en om de haverklap blessures hebben opgelopen of de dagindeling van het eenzame hotel leven van rondtrekkende sporters die zich van toernooi naar toernooi gesleept hebben. En het summum is natuurlijk de zwemmer die vier jaar werkelijk alles opzij zet (zelfs zijn eigen verjaardagfeestjes sloeg hij over!) om maar liefst 8 keer te schitteren op het hoogste podium. De glans van het goud schijnt voor de toeschouwer des te meer door de kennis over alle ‘pijn’ die geleden is.

Ik moest hier waar aandenken toen ik de column van John Faasse las over het gebrek aan transparantie van de online panel onderzoeken. Als een volleerde Jack van Gelder klaagde John over de onderzoekbureaus die met hun panels ruim een jaar na NOPVO nog steeds geen inzage willen geven in hun respondenten. Als betrof het EPO zouden alle goede aanbevelingen uit het NOPVO onderzoek door de vermaledijde bureaus in de kieperton zijn gegooid. En als een echte sportbond bestuurder werd er kritiek geuit al zouden de pupillen (lees de bureaus) de wijze raad van de ervaren sport-bobo niet opvolgen.

Helaas, de werkelijkheid zit iets gecompliceerder in elkaar. De MOA en de aangesloten bureaus hebben het NOPVO onderzoek mogelijk gemaakt. De resultaten zijn aanleiding voor het opstarten van een clearing-house waar de verschillende panels hun respondenten kunnen laten screenen op overlap en werkelijke deelname frequentie. Internationaal wordt gewerkt aan ISO-certifisering voor panels waar gebruikers de kwaliteit aan kunne toetsen. Alles tegen de achtergrond om gebruikers meer inzicht te geven in de opbouw van de panels en het profiel van de panelleden. Maar op een zorgvuldige en (juridisch) juiste wijze. En dat kost tijd. Tijd voor onderlinge afstemming en het opstellen van protocollen. En net als sporters vindt het trainen meestal in stilte plaats en in alle concentratie. Om na al het trainen een topprestatie neer te kunnen zetten.

Het is denk ik fair om de bureaus te teasen om nu daadwerkelijk actie te gaan ondernemen en de markt van betrouwbare panelinformatie te voorzien. En het is ook fair om dat met alle zorgvuldigheid te doen. In de planning ligt dat medio 2009 het Clearing house een feit zal zijn, medio 2010 zal er dan ook een ISO-certifisering zijn voor de panels. Dat zal een topprestatie zijn voor de branche en een impuls voor de kwaliteitsbeleving! Tot die tijd moeten we nog even geduld hebben. Maar ja, het volgende EK en de volgende Olympische Spelen zij ook pas in 2012.

Pieter Paul Verheggen

Pieter Paul Verheggen is voorzitter van de MOA en schrijft deze colomn op persoonlijke titel.

Tags: ,

Comments Geen reacties »

Als je ‘vroeger’ (sorry, ik word oud) wilde weten welke Amerikaanse presidentskandidaat onder de Nederlanders van 18 jaar en ouder favoriet was, dan begon je met het trekken van een ‘a-selecte’ steekproef, bijvoorbeeld met behulp van het adressenregister of het telefoonnummerbestand van de PTT. Zo heette de voorganger van TNT-Post en KPN (ik bén oud!) Het goede aan die methode was dat in principe iedereen gevraagd kon worden om mee te doen aan onderzoek.

Tegenwoordig wordt veel onderzoek gedaan met behulp van ‘online access panels’. In zo’n panel zitten mensen die zich in een onbewaakt ogenblik hebben laten ontvallen dat ze het wel leuk vonden om af en toe eens een vragenlijst in te vullen. Dat is handig voor het onderzoeksbureau, want die hoeven dan niet meer stad en land af te bellen om iemand te vinden die wil vertellen of hij liever Obama of McCain als president ziet. Je stuurt gewoon een mailtje met een vragenlijst rond naar je panelleden en kunt achter je bureau wachten tot de antwoorden binnenkomen. Elk onderzoeksbureau in Nederland heeft zijn eigen panel. Er zijn ook bureaus die alleen maar een panel hebben en geen onderzoeksbureau zijn. Zij verkopen hun respondenten aan onderzoeksbureaus en iedereen die de behoefte heeft om eens aan 500 Nederlanders een vraag te stellen.

Je kunt je voorstellen dat niet iedereen in zo’n panel even enthousiast meedoet aan al het onderzoek dat er in zijn of haar ‘Inbox’ bezorgd wordt. En ook dat de beweegredenen om aan onderzoek mee te doen verschillen. Sommige mensen zijn echt enthousiast, anderen hebben misschien niets beters te doen en er zijn er vast ook die het doen voor het geld of de ‘spaarpunten’ die het onderzoeksbureau aanbiedt.

Twee jaar geleden heeft de vereniging van marktonderzoekbureaus (MOA) onderzoek gedaan naar al die ‘online access panels’. Met de uitkomsten is helaas weinig gebeurd. Ik heb daar laatst ook over geschreven de column voor de MOA-website. Uit dat ‘NOPVO’onderzoek bleek dat er een groep ‘professionele’ respondenten bestaat die lid is van verschillende onderzoekspanels.

Dat is om twee redenen vervelend. Onderzoeksbureaus proberen over het algemeen te vermijden dat iemand vaker wordt ondervraagd over hetzelfde onderwerp. Dat voorkomt dat iemand heeft ‘geleerd’ van het vorige onderzoek. Maar als zo’n panellid ook in het onderzoekspanel van de concurrent zit valt er op dit vlak weinig meer te sturen. Het tweede probleem is de representativiteit van het onderzoek. Als u niet in een onderzoekspanel zit wordt u niet meer om uw mening gevraagd. Maar nu blijkt ook nog eens dat steeds opnieuw dezelfde kleine groep panelleden namens u in al die panels de mening van ‘de Nederlander’ vertolkt.

In het reclamevakblad Adformatie van 21 augustus 2008 stond dat de MOA nu een Panel Instituut gaat oprichten. Dat instituut moet de overlap tussen de panels van de verschillende onderzoeksbureaus in kaart brengen, en ook de ‘paneldruk’. Goed initiatief, maarre … gaat de MOA straks de onderzoeksbureaus vertellen wie er nog wel en wie er niet meer mag worden uitgenodigd voor een opiniepeiling over Obama versus McCain???
Quote sluiten

John Faasse

Tags:

Comments Geen reacties »

Afgelopen week bij het 2-daagse congres Consumententrends kwam het in verschillende presentaties weer naar voren: de vergrijzing zet door en 50-plussers zijn de doelgroep waar marketing zich op moet richten. Zij vormen (zeker over een aantal jaren) de grootste groep en hebben het geld. Van echte vergrijzing is overigens nog maar nauwelijks sprake. De marketing van haarkleurmiddelen heeft goed gewerkt. Maar dat terzijde…

Veel marketeers, die vaak zelf de 35 nog niet voorbij zijn, willen er nog niet aan. De jonge Hyvesende, gamende en MSN-ende generatie is veel spannender. Daar kan je tenminste mooi bedachte multimediale virals, mobile marketing, Advergaming en communitymarketing op loslaten.

Maar op hetzelfde evenement rees ook de vraag: is er nou echt een verschil tussen de oudere tv-generatie en de jongere game-generatie? Zijn de 50-plussers niet eigenlijk de enige echte game-generatie? Of doet leeftijd er helemaal niet toe, maar zijn het de interesses en innerlijke motieven van mensen die ze tot multimediale gamer of totale laggard maakt?

Wat doe je als je doelgroep zo divers is als de 50-plussers? Veel marktonderzoekers blijven hangen in segmentaties waarin de 50-plussers van nu zich niet kunnen vinden. Op de vraag aan mijn ouders (beiden de 50 al even gepasseerd) of zij een behoudende zorgzame oudere of een oudere afwachtende waren of misschien een andere typering uit het rijtje, keken ze me enigszins vernietigend aan. Oeps… Zo willen ‘ze’ dus niet aangesproken worden. Heel voorstelbaar eigenlijk ook, ik moet er niet aan denken dat ik over een kleine twintig jaar zo’n stempel opgedrukt krijg.

50-plussers: moeten we ze nu eindelijk niet eens gaan rekenen tot de ‘gewone’ mens met (eventueel) een ‘gewone-mensen-segmentatie’? Hoe leren we de 50-plusser echt kennen? Ook daar ligt mijn inziens een schone taak voor de marktonderzoeker

Karianne Vermaas

Tags: ,

Comments 1 Reactie »

In een eerdere column (Google Research) schrijft Jordan Strik dat “in management presentaties van nu het helemaal ‘in’ [is] om het aantal google-hits te tonen”. Om in het jargon van nu te blijven, dat is wel erg 1.0. De website Google Battle waar je twee termen kan vergelijken, bestaat al sinds 2004. Ik versla Jordan Strik er met 153 – 45, maar mijn JS Online Presence Index (JS-OPI) van 153 is niet om over naar huis te schrijven. Google-hits gaan namelijk meestal in miljoenen.

Een paar 2.0 voorbeelden van quick & dirty onderzoek, die net als de term 2.0 al een tijdje bestaan, maar het waarschijnlijk goed doen in management presentaties:

Via Amazon Mechanical Turk kun je vervelende, monotome klusjes laten doen die te moeilijk zijn voor een computer. Bijvoorbeeld informatie uit plaatjes coderen. Amazon noemt deze klussen HITs (Human Intelligence Tasks). Kost (letterlijk) een paar centen, want de prijs per HIT bepaal je zelf. Deze enorme mentale menskracht wordt op een creatieve manier gebruikt door bijvoorbeeld kunstenaars en wetenschappers. Voor $41.50 al je veldwerk?
Dolores labs heeft een weblog met goede voorbeelden en data; welke naam geven we welke kleur of hoe relevant zijn zoekresultaten? Voor deze techniek kan je wel als kritiek aanvoeren dat je geen controle over de respondenten hebt. Waarschijnlijk domineren Engelssprekende Indiërs je resultaten.

Google AdWords is ook als scherprechter te gebruiken. Ian Ayres had een populair wetenschappelijk boek over data mining en number crunching geschreven. Nu lag hij in de clinch met zijn uitgever over de titel. Ayres wilde het “The End of Intuition” noemen, zijn uitgever “Super Crunchers”. Als oplossing starten ze een Google Adwords campagne en keken ze op welke titel het meest geklikt werd. De winnaar “Super Crunchers” had 63% van de clicks. Deze methode is niet helemaal gratis, maar je kan de kosten per klik op 1 cent instellen.

Google Trends en Google Insight zijn Google battles maar dan met een extra dimensie als tijd of geografie. Een (minder goed) alternatief voor Google Trends is bijvoorbeeld Alexa gebruiken. Met Blogpulse, trends in blogs, kan je bijvoorbeeld de buzz rond nieuwe films in kaart brengen. Enige kritische massa aan zoekvolume of buzz is wel vereist.

Wanneer je toegang hebt tot een digitaal krantenarchief, dan kan je daar met de zoekfunctie ook onderzoek in verrichten. Een mooi voorbeeld vind ik de R-word index van The Economist. Hoe vaak de New York Times en de Washington Post het woord “recession” noemen lijkt redelijk in de pas te lopen met officiële indicatoren. Het digitale krantenarchief van NRC Handelsblad geeft 134 treffers voor “recessie” in het eerste kwartaal en 75 treffers in het tweede kwartaal van 2008.

Kortom, met een beetje inspanning is elke management presentatie tweepuntnuller te maken.

Wilte Zijlstra

Tags: ,

Comments 4 Reacties »

Als je alleen al kijkt naar Nederland dan zie je het al: Het ene marktonderzoek is het andere niet. En dat nog afgezien van een oordeel over de kwaliteit ervan. Robert van Ossenbruggen gaf in zijn column al aan dat de definities van marktonderzoek en MI niet eenvoudig te geven zijn. Dit soort discussies zijn natuurlijk goed en houden je scherp, maar bovendien geeft dit soort discussies ook aan dat we in Nederland erg ver zijn.

Met een Zuid-Afrikaanse collega die in heel zuidelijk Afrika marktonderzoek doet, had ik een gesprek over de praktijk van het dataverzamelen. Al snel begon me te dagen dat marktonderzoekers het hier in Nederland zo slecht nog niet hebben. In veel andere landen zijn er zulke grote praktische problemen dat de problemen in ons land totaal in het niet lijken te vallen. Want wat als je als onderzoeker gecontroleerd en ‘bijgestuurd’ wordt door overheden? Of als er geen stabiele elektriciteitsvoorziening of internetpenetratie is waardoor online onderzoek eigenlijk geen optie is? En de post is in sommige gebieden zo mogelijk nog onbetrouwbaarder.

En dan zijn er nog de respondenten die in zuidelijk Afrika een enorme (potentiële) markt vormen voor vrijwel alle producten en diensten die hier ook worden aangeboden en onderzocht. Bij deze respondenten is taal vaak een probleem; het analfabetisme is er groot en er zijn veel verschillende dialecten en talen. Zoals het artikel van het YoungWorks-team aangeeft, is het werven van de juiste respondenten (in Nederland) geen sinecure. In grote delen van zuidelijk Afrika ligt dat nog wat lastiger. De respondenten zijn vaak niet vertrouwd met marktonderzoek en hebben vaak geen idee wat er van ze verwacht wordt. Ze hebben soms het idee dat ze getest worden en durven dan geen antwoord te geven of geven een antwoord dat in ieder geval geen ‘kwaad’ kan (vraag aan iemand die net een slokje neemt uit een blikje Coca Cola: “Drink je wel eens cola?”. Antwoord, terwijl hij zijn blikje achter zijn rug verbergt: “Een goede vriend van me drinkt cola. Hoezo?”).

Een ander voorbeeld dat de Zuid-Afrikaanse onderzoeker gaf was een onderzoek met PDA’s. Dat was zo interessant voor inwoners van een grote stad in Tanzania dat de PDA uren lang rondging, en in plaats van onderzoeksgegevens terugkwam met een fatal error.

Ik heb hierboven op geen enkele manier een karikaturaal beeld van marktonderzoek in Afrika willen schetsen, zo gaat het er daar werkelijk aan toe. Dus als het wat tegenzit met de dataverzameling is zo’n kijkje over de grenzen zo slecht nog niet. Het plaatst onze problemen in perspectief en zorgt er in ieder geval voor dat ik toch kan denken aan Nederland als een walhalla voor marktonderzoek!

Karianne Vermaas

Tags:

Comments Geen reacties »

Bij de start van M.I.B. was het doel om een weblog te creeren die het hele marketing intelligence werkgebied zou dekken. Inmiddels hebben zich meerdere bloggers uit de verschillende vakgebieden aangemeld. Met veel plezier kan ik melden dat het eerste samenwerkingsverband een feit is. Vanaf deze week zal op woensdag de MOA column op M.I.B. worden geplaatst.

MarktOnderzoekAssociatie

De MOA, Center for Marketing Intelligence & Research is een vereniging van bedrijven en instellingen die zich bezig houden met marketing research en marketing intelligence. De MOA bestaat uit vier specifieke bedrijfsgroepen; de marktonderzoekbureaus, de opdrachtgevers van marktonderzoek, de toeleveranciers en de selectiebureaus voor de marktonderzoekbranche.

De MOA profileert zich als het Kenniscentrum van de Marketing Intelligence and Research Branche.

Tags: ,

Comments Geen reacties »